is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goed voor is ... . en heel den rommel verbrandde?"

„Nooit meer naar de H.B.S. gaan."

„Zou je me dat werkelijk aandoen?"

„Ja en dan wachten tot ik m'n eigen baas ben. En u weet, ik geef niet toe. Ik geef nóóit toe."

„Dat weet ik, miserabele stijfkop."

En dien avond probeerde Arend het anders, hij vertelde z'n jongen van moeder en wat ze op het einde van haar leven gesmeekt had. Hij vertelde van zijn eigen leven en z'n teleurstelling en z'n uiteindelijk slagen, maar toen in een heel ander bestaan.

„Vader," zegt Jochem ernstig: „wil ik u eens wat zeggen? U had schilder moeten worden. Want dat wou u toch? Ik begrijp niet, dat u dat ooit opgeven kon. Ik geef nooit iets op, als ik het vast wil. Nooit! En 'k vind het heelemaal niet mooi van u, dat u het al hebt opgegeven, zonder dat u wist of u slagen kon, of niet. Denk dat maar nooit. En wat m'n moeder heeft gezegd .... ik weet jongens, die hun moeder wel kennen en die zijn het toch niet in alles met haar eens. Dat kunnen ze niet, want moeders zijn soms zoo ouderwetsch. Hoe kon mijn moeder eigenlijk weten, wat ik later wel en wat ik niet moest worden? En is schilder worden dan zoo schandalig? Dan is het ook schandalig van u geweest, dat u het wou worden. Maar ik vind het heelemaal niet schandalig."

„Ik weet geen antwoord," zegt Arend verschrokken. En hij weet ook waarlijk geen antwoord, dat billijk klinken zou in de ooren van zijn jongen. Maar Jochem kijkt hem van terzijde aan. „U bent te veel koopman geworden, om me te begrijpen," zegt hij bitter. „Als