is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als hulp bij den lappenhandel, ik vader, ik roof als jij weg bent uit den winkel een rul stuk Mechelsch velours. Ik kies appelgoud. Wat zal dat heerlijk gloeien tegen het naakt van haar schouders, oplaaien contra de blanke heupwelving. En ik zal mij haasten, woest zal ik werken en al moest ik de verf mengen tusschen mijn handen en werpen naar het oude hout, éér je terug bent van de vischvangst zal ik gereed zijn. Haar j onge matte huid zal ik schilderen met oud goud en amber, haar schaduwen op 't sameet met cobalt, dat appelgoud zelve schilder ik met verven, die brandend licht vangen en behouden, opdat het als een geheimenis zij van heerlijk geel in duizend nuancen. Zij zal daar op het hout verschijnen als een ontwakende vrouw zonder lichaamsfeilen hoegenaamd; haar lichaam zal van stille ingetogen schoonheid getuigen, gelijk ik haar behagelijk situeer in een bedding van licht en goud. Haar transparante hoofd zal zijn omgeven door blauwzwart; als een stille vlam zal haar mond getrokken zijn binnen deze blauw-zwarte weelde. En déze plank, vader, zal je niet meer verbranden, of je zou met die plank je zoon verbranden moeten.

Je hebt door je winkel gewandeld en die verrukkingen van kleur en vormen onder 't zwarte winkelschort niet eens gezien. Jij bent dus geen schilder, jij weet niet van schoonheid, vader. Ga jij maar zitten tusschen je malle kramerij van antieke spullen, jij die donkere gordijnen hebt opgehangen in onze woonkamer om er het licht te temperen en glas in lood hebt geïmiteerd op onze doodgewone vensterruiten, met grijze verflijnen .... hoe kwam je tot die dwaasheid? Het paste