is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat zijn al stevige knollen, jongen; in elk geval geen hitten meer. Is dat de vrucht van de colleges in geschiedenis, die je ook al volgt, zooals ik gehoord heb? En je werkt veel op de bibliotheek, als dominee zei? „Een professor in den dop," noemen ze je op de Academie al." Toen keek ze den jongen eens scherp aan. Als minachting geen vat op hem had, zou lofspraak het dan misschien ook doen? Het gezicht veranderde geen spier. Hij zei niets, en keek alleen het raam uit, over het huis aan den overkant heen de wijde, diepe lucht in. Mevrouw meende, dat hij daar in de lucht zijn toekomst reeds zag, misschien een luchtkasteel. Maar mevrouw wist ook niet, dat de moeder haar zoon gezegd had, dat God altijd hoorbaar spreekt. Ze wilde echter weten, wat hij van de Jonkertjes dacht, en vroeg:

„Het Christendom zegt ons, dat alle menschen in wezen gelijk zijn. In ons land is een scherpe scheiding tusschen adel en burgerij. Wat zou het verschil tusschen die twee kunnen wegnemen? Rijkdom? Of wilskracht? Wetenschap? Wat zou je denken? Je bent zoo'n filosoof. Heb je daarover wel eens nagedacht?"

„In het algemeen gesproken, weet ik het niet. Wel meen ik te weten wat den eenen burger aan een bepaalden edelman gelijk kan maken. Ja zelfs tot zijn meerdere. Als ik eens meer waard zou worden dan een bepaalden edelman, het zou moeten komen door kennis, voortgedreven door alles-opofferende wilskracht. Ik geloof dat ons land in deze dagen aan zulke menschen behoefte heeft."

Dominee en mevrouw Mobach achtten den jongen hoog. Hoè de Jonkertjes in en buitenshuis ook hun best deden, over het burgermannetje heen te kijken, ze konden niet verhinderen, dat ze telkens zijn tegenwoordigheid voelden. Die was aangenaam, als ze zijn hulp noodig hadden, maar soms zeer hinderlijk. Het was prettig voor de heeren, dat Peter de jongste in huis was, al keek hij met zijn robuste gestalte de meesten al recht in de