is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kind bij moeder in huis, toen ze voor het eerst tegen hem over een bepaald onderwerp sprak.

„Zou je nu niet aan een huwelijk denken, mijn jongen?" Dit was toch zeker niet te vroeg.

Hij kon nu vragen, wie hij wilde. Alleen bezwaren van persoonlijken aard zouden een weigering op een huwelijksaanzoek kunnen brengen. Hij kon elk burgermeisje vragen, hoe voornaam, hoe rijk. Hij mocht zijn hand uitstrekken naar elke adellijke dame, van hoe oud adellijk geslacht ook.

Drie maanden later was de groote man getrouwd, met een rijk burgermeisje uit de hoofdstad, een koopmansdochter, een kind van zestien jaar. Moeder was met dit huwelijk niet ingenomen, maar zweeg. Zij was immers de dienaresse van haar zoon, aan wien ze een zending te vervullen had.

In dienzelfden tijd bracht haar zoon haar een cadeau: een levensgroot portret van hemzelf in olieverf. Ze hing het in den salon op, maar boven de canapé, zoodat ze er maar zeer zelden het oog op had. Dat portret beviel haar niet. Ze had er een wekelijken trek op ontdekt, zoowel om de plooien van den mond, als in den opslag der oogen. Toen ze een paar maal haar zoon scherp aankeek, moest ze tot haar diepe smart bekennen, dat het portret zeer goed leek. De moeder vreesde voor de vergroeiing van zijn karakter, en ze had er reden toe. Door het huwelijk verloor de moeder haar zoon op zijn vier-en-veertigste jaar. Hij kocht in de Paleisstraat een groot heerenhuis, en richtte dat op vorstelijke wijze in. Slechts in gedachten kon de moeder nog met haar jongen meeleven. Alleen na een uitnoodiging verscheen ze bij de jongelui.

Een jaar later had Ridder Daarnenburg een dochtertje, maar geen vrouw meer. Het kleine kind werd door familie der moeder opgenomen, hij trok weer naar zijn moeder en liet het groote huis in de Paleisstraat, geheel gemeubileerd, ongebruikt staan.

Prins Roelof schreef hem een condoleantie-briefje,