is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het ging, waren hem niet gezonden, ook niet in afschrift. Hij moest alles maar uit zijn geheugen beantwoorden.

In het antwoord, dat nu op tijd klaar was, omdat hij wel begreep, dat na den toegestanen tijd alle gelegenheid hem ontnomen zou worden, vroeg hij eerst de stukken, waarover het ging, te mogen ontvangen. Dan verzocht hij steeds pen en inkt te mogen hebben en daarbij nog een paar boeken uit zijn bibliotheek. Ook drong hij er op aan, dat hem de hulp van een advocaat zou worden toegestaan, want hij beweerde geen rechtsgeleerde te zijn.

Zijn brief ging weer weg. Hij kon er niet eens een goed adres op zetten. Aan „De Commissie" schreef hij, maar welke commissie dit was, bleef voor hem een diep geheim. Men had hem letterlijk buiten alles gelaten. Hij wist niet, dat de koning, op aandrang van de hovelingen, die nu weer opgekomen waren en die vooral tot den adel behoorden, een rechtbank van zeven personen had benoemd, om het geval Daarnenburg te onderzoeken en den koning van advies te dienen. Had men hem dat gezegd. Ridder Daarnenburg zou dat volkomen in orde gevonden hebben, want hij had zelf in de Landswet gezet, wat later in alle instanties was overgenomen, dat de koning, als vertegenwoordiger van 'Gods autoriteit op aarde, de opperste rechter was, en dus altijd een speciale rechtbank kon benoemen. Zijn zelfverdediging was in alle stukken, die van hem uitgingen naar de „Commissie" zeer kort. Tusschen de regels van zijn schrift was te lezen, dat hij hoogstwaarschijnlijk van meening was, dat kleinzielige bedillers afgunstig op zijn hooge positie, hem hadden aangeklaagd en hem nu trachtten zwart te maken, dat de koning in zijn boven alles staande onpartijdigheid het recht zijn beloop liet, maar straks toch zeker zijn ijverigen en getrouwen dienaar zou rechtvaardigen. En daar de koning alle uitspraken, van welke rechtbank ook, als een advies aan hem kon beschouwen, en macht