is toegevoegd aan je favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iets met hem aan de hand was, begreep zeker de raadsheer, die Ridder Daarnenburgs plaats had ingenomen, al wilde de koning telkens laten uitkomen, dat hij nu zelf zijn eigen eerste minister was.

Tijdens de zitting had de koning dien dag telkens bedenkingen tegen de voorstellen, als wilde hij een spaak in het wiel steken. Bij de kleinste dingen kwam zijn ontstemd gemoed voor den dag. Maar men kende hem. Laat maar rusten. Dat kalmeert wel weer.

Aan het eind, toen de raadsheer van de kroon nog aanwezig was, smeet de koning den brief van de weduwe Schuiteman op tafel, en zei nukkig:

„Ook dat nog!"

„Och," zei de raadsheer, „natuurlijk een gewoon verzoek om gratie. Ze heeft wat lang gewacht, maar kan het nu niet meer houden. Laat haar in de groote rij morgenmiddag tijdens de audiëntie meeloopen, zou ik adviseeren. Dan heeft ze haar zin. Het volk moet in deze dagen wat ontzien worden."

De koning wandelde juist door de kamer heen en weer. Nu bleef hij staan, en sprak in het volle bewustzijn van zijn onbeperkte souvereinsmacht:

„Dat doen wij dezen keer niet, waarde raadsheer. Zend deze weduwe bericht, dat zij morgenvroeg om tien uur in particuliere audiëntie zal worden ontvangen. Ik wil nu en dan ook eens uit eigen oogen zien, en door eigen ooren hooren, om te vernemen, wat er in mijn volk leeft."

„Er is nog heel wat te regelen van avond, Majesteit," zei de dienaar onderdanig. „Ik zal Uwer Majesteits orders uitvoeren."

Maar hij dacht erbij: Laten we wachten tot morgen. Dan is hij zeker van gedachten veranderd.

Alsof de koning de gedachten van zijn raadsheer op diens gezicht zag, of, omdat hij zichzelf in dit opzicht zoo goed kende als zijn raadsheer dit deed, zei hij: „Het afzenden van dat bericht zal uw eerste werk zijn, waarde raadsheer. Ook wil ik die vrouw alleen ontvangen.

7 Adelaarsvlucht