is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was onder den indruk van die vreemde vrouw en haar houding. Vooral die oogen deden hem vreemd aan. Zij was het, die de draden van het gesprek in handen hield, niet hij.

Zij gaf een rukje aan haar schouders, en bedacht zich blijkbaar even.

Toen zei de koning: „Waart gij anders opgetreden, mevrouw, het was mij liever geweest. We zouden thans reeds klaar zijn."

Hij keek even naar het koord, dat naast hem hing. Hij had wel lust er aan te trekken, om de dienaars te laten komen, en een eind aan deze marteling te maken. Maar die vrouw, heel niet lettende op zijn laatste woorden, en haar eigen gedachten weer aanvattende, waar ze die daar even gelaten had, zei: „De onderdane heeft gesproken. Thans is het woord aan de moeder." „Alleen die had ik moeten hooren," zei de koning afkeurend. „Het heeft nu allen schijn, dat het drama, dat afgewikkeld wordt, u als moeder niets zegt."

Vast klemden de oude lippen zich op elkaar. Strakker dan ooit keken die oude oogen den koning aan. Toen kwam het er uit, als geschroefd: „Een man weet niet wat een moeder voelt, welke man hij ook is. Juichen zal de onderdane, als dat hoofd, onschuldig, valt. Het nageslacht zal recht doen. En daardoor God in den hemel. En als dat hoofd valt, zal de moeder vermorzeld worden. Ik had een zending. Slechts één kind mocht ik hebben. Hem moest ik al mijn zorgen wijden, hem gereed maken voor den grooten last in ons schoone land. Zijn dienstknecht ben ik geweest, zoolang hij leefde, Gods dienstknechten zijn wij beiden geweest. De taak is volbracht; wij kunnen beiden geofferd worden; we hebben ons geofferd. Maar zie nu, o koning, waartoe een moeder in staat is."

Met een plof viel ze op de knieën neer; ze knielde niet, ze viel te? aarde. Het hoofd boog ze voorover en sprak: „Thans spreekt de moeder. Eenmaal heb ik hem het leven geschonken onder zeer, zeer groote smarten. Ik