is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dien ons aan bij Ridder Daarnenburg!" zei de oudste op ernstigen begrafenistoon.

„Die is hier niet: ik heb hier geen gevangene van dien naam!" zei de militair barsch.

„Gij hebt gelijk, heer," zei de oudste met een bitteren trek om den mond, getuigende van de smart, dat in dit droeve uur deze edelman zijn wrok tegen een opgekomen burgerman nog niet kon afleggen.

„Wilt ge zoo goed zijn, heer, aan Peter Schuiteman te vragen of hij bereid is, de twee predikanten te ontvangen?" vroeg de andere dominee.

Even later traden de twee oude mannen het vertrek binnen, waarin de gevallen staatsman maanden in werkeloosheid zoo vele folteruren had doorgebracht. Van het kleine venster trad hij hen tegen, geheel gekleed voor den laatsten tocht, in het zwart. Hij reikte hun zwijgend de hand. Bleek was zijn gelaat, geel getint. Met zijn scherpe oogen zocht hij die der twee geestelijken, beurt om beurt. Ze ontweken zijn blik, als hadden ze vooraf besproken, hem niet in de oogen te zullen zien.

„Hebt ge nog iets te zeggen, broeder?" vroeg de oudste. „Geef mij de hand, waarde heer," zei Schuiteman zacht, maar vast. Met een zenuwachtigen ruk greep hij de hand van den ouden geestelijke. Toen moést de oude man den veroordeelde wel in de oogen zien. De predikant stond te trillen op zijn beenen.

„Vraag genade, broeder," zei hij beverig, haast huilend. „Vergiffenis heb ik den koning gevraagd, maar ge weet, om genade kan ik niet vragen. Ik dank u, broeders, voor den steun en den troost, dien ge beiden mij in de laatste dagen verleend hebt. Te zeggen heb ik niets meer. Laat ons bidden. Lees mij voor het laatst 't vijftiende hoofdstuk van het Johannesevangelie voor." Op de vensterbank lag een Bijbel, groot formaat, opengeslagen. Daar stapte hij heen, knielde er voor, terwijl de twee predikanten naast hem gingen staan. De veroordeelde vouwde de handen, legde ze op den rand van