is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ment zit de vaste wil van een zelfbewuste burgerij.

En zeg dan tenslotte maar, dat ik voor het overbrengen

van deze boodschap mijn hoofd over heb."

Dat kon werken als de lont, die in het kruit geworpen

wordt.

Maar het werd niet zoo. Het was de zweep, welke paarden, die willen steigeren, in bedwang houdt. De regeering zei niets, maar gaf telkens toe. Door dat toegeven toonde de koning met den adel eigen zwakte. Dat gaf den burgers moed. Overmoed soms. Toen 's konings Raad weinig meer uitvoerde, en alle functies als voor eenige jaren weer gelijkelijk over adel en burgerij verdeeld werden, kwam men met hooger eischen. Deze moesten wel ingewilligd worden. De oorlog hield aan. De koning had geld noodig. En dat hadden alleen de kooplieden. Toen werd er eerst gemompeld, heel zacht, later luider, en eindelijk werd open in de Vertegenwoordiging de eisch gesteld, dat Ridder Daarnenburg, zooals men hem bleef noemen, in vrijheid gesteld zou worden. Dat was een brutaal stukje. Gaf de koning daaraan toe, dan was hij geen koning meer, had hij als souverein niets meer in te brengen, en kon de geliefde „Landswet" wel opgeborgen worden. Het leek er op, dat de burgerij aan den koning de wet ging voorschrijven.

De koning voldeed aan dit verlangen niet. Wijselijk bleef hij zelf steeds achter de schermen van het bestuur. In de hoofdstad, in de buurt van het paleis, en ook in andere plaatsen van het land, waar hij tijdelijk verblijf hield, kon hij de duidelijke bewijzen geven, dat hij zich heel dicht bij het volk voelde: hij wilde een vader voor zijn volk zijn. Op overdreven wijze kwam dat soms uit, wanneer hij als gewoon burger in een stad gezien werd en dan eens een praatje met een eenvoudig mannetje of moedertje maakte. Herhaaldelijk hoorde men vertellen, hoe „gemeenzaam" de koning toch was. Alweer had hij met een man loopen praten op een landweg. De man had niet eens geweten, dat het de koning was.