is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat gij in haar eenzaamheid komt, om naar haar gezondheid te vernemen, want als de koning dat doet bij de verachtelijkste van alle onderdanen, wat zal hij dan niet over hebben voor de goeden?"

„Mevrouw," zei de koning, die op een stoel ging zitten, „u hoeft uw onderdanigheid niet zoo ver te drijven, dat u uzelf noemt de verachtelijkste van al mijn onderdanen: u overdrijft."

De koning trachtte daarbij te glimlachen, wat hem niet goed afging, omdat die oude oogen, die wel doffer geworden waren, maar hun magische kracht niet verloren schenen te hebben, maar steeds de zijne zochten, en dan vasthielden.

„Ik heb een zoon gebaard, koning van Denemarken, en het hoogste recht heeft geoordeeld, dat die zoon zijn hoofd moest verliezen."

Hard was haar stem. Ze bleef staan en deed, of ze de handbeweging van den koning niet merkte, die haar noodigde te gaan zitten. Uit de hoogte keek ze over het tafeltje neer op den koning.

„Juist over uw zoon wilde ik komen spreken, mevrouw." „Wilt u dat nog eens zeggen, heer koning? Ik ben wat doof geworden bij mijn laatste ziekte. U hoeft niet harder te praten. Als u me maar goed aankijkt, versta ik het wel. Ik leef hier wat eenzaam. Alleen ter kerk ga ik. Menschen zie ik niet. Mijn zending is volbracht, meende ik. Alleen ter kerk. Ik heb mezelf gekerkerd, nu al acht jaar. Verleden week dacht ik te sterven. Maar nu de koning hier is, zie ik, dat de Heer me nog noodig heeft. Wat is er van uw verlangen?" „Zoudt u in staat zijn, uw zoon eens te gaan bezoeken? U zoudt er mij een groot genoegen mee doen."

„Leeft hij dan nog? En leeft hij daar?" riep ze ongewoon driftig, en wees met haar magere hand in de richting van de gevangenis.

De koning knikte, en zag de vreugde door deze mededeeling op het rimpelige, oude gelaat. Maar dadelijk