is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ach moeder," sprak hij, haar op zijn stoel neerzettend en voor haar knielend, waardoor hij als in gebed tot haar kon opzien, zooals hij zoo vele malen in zijn vroeger leven gedaan had, ,,U bent zoo veel veranderd, moeder, en .— bent u ziek?"

„Ik ben veel veranderd, jongen. Ik ben ook tachtig jaar."

Ze woelde met haar hand door zijn grijzende lokken vóór haar.

„Tachtig, moeder? Is het dan al acht jaar? Ik weet van geen tijd. Ik heb geen horloge, alleen de Paleisklok. Hier is geen dagkalender. Ik weet van geen dag, geen maand, geen jaar. Ik ben in de war geraakt. Spreek eens, moeder, ik heb in zoo lang niet hooren praten. De wachters spreken niet. Ik denk, dat het hun verboden is. Alleen mijn Bijbel heb ik. Ik hoor niemand spreken." „Maar God spreekt toch tot je, jongen? Dat hoor je toch?"

„Ja, moeder, gelukkig, heel duidelijk, zelfs duidelijker dan ooit."

„Dan is ook alles goed, jongen. Ik kom afscheid nemen. Ik dacht verleden week, dat de Heer me al haalde. Maar ik mocht nog eerst afscheid van je nemen, tot we weldra weer vereenigd zullen zijn. Dat zal heerlijk wezen, jongen. Ik verlang er naar. We zien hier elkaar voor het laatst. Onze zending is voleind. Er is ook geen kans op vrijkomen. Het zou niet goed zijn voor Denemarken. Mijn jongen is zóó sterk, dat hij het halve land achter zich zou krijgen. De andere helft zou niet willen. Bloed zou er vloeien."

„Moeder, hebt u genade gevraagd?" riep hij ineens, haastig.

„Neen, jongen, dat woord is niet over mijn lippen gekomen."

„O moeder, ik wist het, al zei niemand er wat van tegen me, ik wist dat u zou weigeren."

„Maar ik ben wel bij den koning geweest, heb hem gezegd, dat ik jou eens het leven geschonken had en