is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat ik hem nu smeekte om het jou nog eens te schenken. Het woord genade heb ik geweigerd uit te spreken." Hij stond in vervoering op, sloeg zijn armen om haar peezigen hals, en half smeekend, half kermend, kwamen de woorden uit zijn keel: „O, moeder, mijn eenige lijden hier in deze kamer was om u, om u en u alleen. Me zelf kon me niets schelen. Nooit heb ik in de wereld iemand liefgehad als u. Alles was om u, voor u. Praat u nu, moeder. In al die jaren heb ik geen menschelijke stem gehoord. Vóór dien vreeselijken dag had ik mijn verdediging nog, later niets, niets te doen. Papier, pen en inkt heeft men mij geweigerd. Zelfs mijn Bijbel was weg, toen ik na dien martelenden tocht hier weer terug kwam."

„Was het een zware tocht, jongen?"

Ze liet haar hoofd weer tegen het zijne hangen, als had ze toch een oogenblik steun noodig, de sterke, alleen op zichzelf steunende vrouw.

„Ik was zinneloos, toen ik hier weer terugkwam. Ik ben ziek geweest, ziek naar ziel en lichaam. Hoelang? Dat weet ik niet. Misschien weken, of maanden. Men heeft mij niets gevraagd, niets gezegd. Als een zwijgende Trappistenmonnik ben ik nu al die jaren geweest. Mijn Bijbel heb ik weer gekregen. Maar dat is ook alles wat ik heb."

„Dat is ook het eene noodige, mijn jongen. Kom, laten we samen bidden. Ik geloof, dat het jouw beurt is. En al was ik door de jaren de beurt vergeten, dan moet je het nu toch maar doen; ik kan mijn gedachten soms niet goed meer bij elkaar houden. Kom, laat ik naast je knielen. Spreek je hart eens uit tot God; den laatsten keer, dat we samen iets verzoeken. Als we weer samen zijn dan is het geen tijd meer om te verzoeken, dan juichen we voor Zijn troon."

Naast hem geknield aan de tafel deed ze als hij, en legde het hoofd op de gevouwen handen, die op den tafelrand rustten; hun houding, als ze samen baden, van der jeugd af.