is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo dom zijn, om een gevangene hier te halen; je wordt met den dag slapper."

„Vrouw," riep de commandant uit, en posteerde zich in de huiskamer, „het wordt me onderdehand al te bar. Ben jij nou commandant van de Drieschoor, of ben ik het? Flodder hier in de afdeeling van het huishouden zooveel je wilt, dat de klodders zeep op de vloer liggen en het water me om de ooren spettert, maar blijf van mijn beroep af; ik, als commandant zal zeggen, wat er gebeurt. Neen, zwijg! Ik wil geen woord terug hooren dezen keer. Ik sta op mijn stuk, als het er op aan komt. Het was begin Mei. Op den middag om drie uur waren de drie leden van het jubileerende gezin op hun Paaschbest gekleed. De woonkamer was niet versierd, omdat het niet noodig was, had de commandant gezegd. „Nu zal de plechtigheid aanvangen," zei hij ernstig tegen zijn vrouw en zeventienjarigen zoon. „Heb slechts geduld. Neen, volgen jullie me eerst. Kom mee!

Moeder en zoon keken elkaar wel vreemd aan, maar volgden den geheimzinnig doenden man door de gang; en waar toen heen? Naar den anderen kant van dezelfde verdieping, waar nog twee vertrekken waren, die sinds jaren leeg stonden, omdat er geen gasten meer voor waren. In de grootste van die kamers leidde hij vrouw en zoon binnen. Dagen had hij, zonder dat iemand het wist, die kamer klaar gemaakt, eigenhandig, voor het groote feest. Nu ging hij naar boven, om den gevangene te halen, die niet veel lust had, en aarzelend zei: „U moet mij toch in deze kamer bewaken, commandant?"

Toen werd de man woedend, en riep: „Ben jij commandant, of ik? Ik zeg: jij hebt te gehoorzamen. Vooruit!" De gevangene daalde de trap af, waarvoor hij hulp noodig had: zijn krachten reikten niet voor dit voor hem ongewone werk. Al die vijf jaar had hij niet anders gezien dan de wanden van zijn kamer, en daarvoor nog acht jaar die van een andere kamer. Hij greep wat naar het hoofd, zeker van duizeligheid, toen hij de