is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groote kamer werd binnengeleid, waar de commandant vrouw en zoon daareven had neergeplant en die op zijn aanwijzing nu opstonden. De Zondagsche kleeren van de familie en de werkmansplunje van den gevangene maakten wel een tegenstelling. Toen de gevangene ook zat, en eens rond keek in de voor hem zoo groote ruimte, greep hij weer naar de oogen, misschien wel omdat hij in de herinnering, aan den achterkant van die oogen, ook een kamer zag, in soortgelijke versiering, van lang vervlogen dagen, een kamer met licht en vroolijkheid, met blijheid en saamhoorigheid. Dan moet het heden wel even geschrijnd hebben.

De vrouw, die in haar nieuwsgierigheid zoo in het voorbijloopen den gevangene wel eens zag, maar nooit had gesproken, keek haar oogen uit, terwijl ze op boersche wijze wat te drinken en te eten aanbood. Ze werd verlegen onder de beleefdheid, die de gast haar bewees. De Commandant haalde al heel gauw een papier voor den dag. Hij posteerde zich bij het diepe raam, en riep:

„Geachte aanwezigen. Het past mij een woord te zeggen bij dit heuglijk feest. Eigenlijk moest ik mijn rede hebben opgeschreven, maar daar ik de pen minder goed hanteer dan het geweer, heb ik maar een paar punten. Allereerst de waarde van het ambt, dan mijn ervaring van vijf en twintig jaar, en dan den gevangene, om wien het heele fort tegenwoordig er is. De wacht, als zijnde van minder orde, kan onbesproken blijven." Hij hield een heel, heel lang betoog, waarbij hij bewees dat het praten hem beter af ging dan te verwachten was. Wellicht had hij in de laatste weken voor zich die toespraak ook wel twintig keer gehouden, als hij in de eenzaamheid van de Drieschoor den tijd zocht door te brengen.

Aan het punt „de gevangene" gekomen, weidde hij breed uit over het groote voorrecht, dat hij dagelijks in de nabijheid van zulk een geleerde mocht vertoeven, en eindigde: „Geachte gevangene, eerlijk gezegd heb ik