is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geteekend. Was dat zinnetje niet gevonden, de koning zou nooit toegelaten hebben, dat ik tot in de uiterste ellende werd gestort. Dan zou hij heel wat vroeger als souverein mij het halt hebben toegeroepen dan nu, toen het zwaard van den beul reeds geheven was op het schavot. Ziet ge wel, mijn zoon, dat God rechtvaardig is? En de koning ook? Ridder Daarnenburg is rechtvaardig veroordeeld. Want hij was schuldig. Hij had zich op des konings plaats gesteld, hij had God vergeten. De koning heeft genade doen gelden, zonder dat moeder en ik er om gevraagd hebben; God heeft mij op mijn aanhoudend gebed genade verleend. Jongen, houd je heele leven mijn beeld voor oogen: houd aan in het gebed, dag aan dag."

Met gespannen aandacht zat de student te luisteren. Hij wist zoo veel van wat er in de wereld gesproken werd over den gevallen staatsman, die toch niet door allen vergeten was. In verrukking zag hij op tot den kolos vóór hem, die groeide, groeide omdat hij steeds meer kon bukken: een kolos van zielenadel, al was hij maar een eenvoudige burgerman geweest.

„Men zegt allerwegen, dat het slechts wraakneming van den adel was," zei hij zacht, maar hij ging niet door, omdat hij merkte, dat hij zijn belofte schond, en over zaken van het heden ging praten. De oude man, die zich door zijn eigen gepraat in het verleden had ingewerkt, merkte dat niet, en zei: „De gevangenneming was het werk van de twee heeren stadhouders, de veroordeeling dat van den koning. En voor hem hebben wij te buigen, want de koning is de vertegenwoordiger van Gods autoriteit."

Als na zoo'n gesprek „mijn zoon Eduard" in zijn eigen kamertje gekomen was, schreef hij het een en ander op. Want hij had een plan. En dat was: eenmaal aan heel Denemarken bekend maken, wat niemand buiten hem wist. En dat was, dat er nu al ongeveer twintig jaar een landsburger gevangen zat, die niet verdiende het leed tot het bittere einde te smaken, maar die dat onderging