is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XVIII

Het Testament

» 7[T IJN zoon Eduard," die het laatste studiejaar aan de ^ / II Universiteit in de stad aan den vasten wal maakte, 1 v || kreeg van zijn vader een briefje, waarin de oude brom•*- -"-beer hem meldde:

„Uw tegenwoordigheit is op de Drieschoor nootsakelik. Kom. Je vader."

Den volgenden morgen stond de zoon al vroeg aan de aanlegplaats, waar zijn vader hem opwachtte, die van het oogenblik af, dat het licht was naar den wal had staan turen.

„Wat is er vader? Een ongeluk met moeder?" „Nee, jongen, wij zijn goed. Maar het is mis met meneer. Hij zit den heelen dag te huilen. Als een klein kind. Ik kan er geen woord uit krijgen. Mijn hart breekt. Al dagen. Hij is heelemaal overstuur. Waanzinnig, zou ik zeggen."

„Is er geen oorzaak voor? Is er iets gebeurd?" „Dat weet ik niet. Alleen zijn een paar dagen geleden Prins Roelof en Graaf Dierendonk op De Drieschoor geweest. Ze hebben alles bekeken, ook meneer gezien, want die deed net de deur open. En hij heeft hen ook gezien, maar hij heeft me zelf gezegd dat hij niet wist wie het waren. En liegen kan d i e man toch zeker niet. En hij is daarna nog een heelen dag goed geweest. Maar den volgenden dag was het mis, dadelijk al, en heelemaal mis ook. Het is ineens gekomen, in den nacht, niet langzamerhand. Zie jij eens, wat je met hem beginnen kunt."

„Goed, vader. Ik zal naar hem toe gaan. Maar als het eens wat lang duurt, dan moet u niet komen, hoor. Al duurt het tot vanavond. Laat me maar. Belooft u