is toegevoegd aan uw favorieten.

Adelaarsvlucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer. Dat heeft dagen geduurd. Ik was leeg. Ik kon niet bidden. Van morgen gelukte het mij, God om hulp te vragen in mijn ellende. En daar kom jij bij me binnen. Jongen, je bent me een Godsgezant, een bode uit den hemel."

„Bent u ziek geworden? Hebt u ergens pijn gehad?" „Neen jongen, geen pijn. Alleen verdwijnen mijn krachten. Ik vrees, dat het einde zeer nabij is. Ik hoop het, ik vrees niet. Alleen die leegheid benauwde. En benauwt nog. Het vaste vertrouwen is weg. God verbergt Zijn aanschijn voor mij. Ik ben verstooten."

Daar begon hij weer te snikken, snikken nu zonder tranen, als iemand die zijn zelfbeheersching totaal kwijt is.

Eduard schoof met zijn stoel wat dichter naar den man, hield diens beide handen flink in de zijne, en zei, als een moeder die haar kind wil troosten: „Mag ik u dan eens wat uit Gods Woord voorlezen? Met een paar maanden ben ik dominee. Denkt u maar, dat ik het al ben. Mag ik?"

„Ja, mijn jongen, graag. Ik heb er zoo naar verlangd. Ik heb zooveel dagen al naar je uitgekeken. En je kwam maar niet. En vanmorgen gelukte het mij, God uit den grond van mijn hart te bidden, of Hij mij Zijn Trooster zenden wilde. En daar ben je al."

Eduard nam zijn Bijbeltje uit den zak, maar de oude man stond, al was het moeilijk, op en zei: „Uit mijn eigen Bijbel, mijn eigen groote Bijbel, dien ik nog van moeder gekregen heb. Ach moeder, hoe wreed, hoe wreed!"

Voor hij bij den grooten Bijbel gekomen was, zakte hij op een stoel neer, en verviel weer in droefheid. Er was hem zeker weer een andere gedachte in den zin gekomen. Controle over zijn denken had hij totaal niet meer.

Eduard nam zelf den Bijbel, ging vlak naast den ouden man aan tafel zitten met het Boek voor zich en zocht,