is toegevoegd aan uw favorieten.

Proza en poëzie van Hein Boeken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dien hij moet hebben gestreden om de woorden van den weligen jonkman, dien zijn oudste portretten, tot den stoeren en strijdhaften bijna-grijsaard, dien ons dat andere, hier aanwezige portret te zien geven.

Wat kon er bij dezen zeventiende-eeuwschen edelman naar den geest, wonende in het boersch en burgerlijk Amsterdam omgaan bij het hooren van muziek? Ge ziet het in zijn David, harpspelende voor Saul. Gij ziet het hoe hier de gruwelijke driften worden getemd in dezen ouden zenuwlijder en Jood, hoe al de wanhoop, die dezen koning later zich in het zwaard zal doen storten hier ontketend wordt en den geweldige overweldigt. Gij ziet het van welk een wereld van ziele-lijden de ziels-gezonae schilder afwist maar ook hoe hij wist dat die gansche wereld onder de macht staat van den knaap, die den juisten greep in de harpsnaren weet te grijpen.

Een ander stuk is er, dat ons antwoord schijnt te geven op de vraag: hoe dacht deze alkunstenaar met kleuren en lijnen zich eenen almachtige met het Woord. Dat antwoord geeft ons de Homerus-kop. Deze Homeros is inderdaad de man die alles kan zeggen. Het is de man, die alles heeft gevoeld en om wiens bewogen mond de naweeën en krampen van alle groote hartstochten zijn blijven hangen, de hartstochten van de Ilias. En allermeest is het de Homerus van de Odyssee; de dichter en verteller, die het slechtste woordje kauwt voor het lekkerste banket, die al het kaas-en-melk-gerei van de Cyclopen-grot stukje voor stukje weet te noemen, die zich verkneukelt in de listen en gelogen verhalen van Odysseus, die stap voor stap Odysseus' voorzichtig en zeker voortschrijdend tot zijn einddoel weet te volgen en zonder overhaasting uiteenzet en verhaalt; het is de man, die alles in zijn binnenste hoort wat hij heeft gezien, maar zelf niet meer ziet, het is de absolute tegenvoeter van den schilder.

Men kan zeggen dat in dit stuk de Hollandsche schilder gelijk Columbus de hem onbekende, andere halve wereld vermoedde, de hem onbekende, maar vermoede woordkunst begroet.

Maar was hij dan niet de tijdgenoot van Vondel en Hooft? Ja, maar hij was het ook van Shakespeare.

Vondel en Hooft, Vondel vooral, zij hebben ons de Hollandsche taal overgeleverd in een rijkdom en snijdigheid, dat zij ons nog in staat stellen daarmede de Augiasstallen van dufheid en bekrompenheid op hart-verkwikkende en verfris-