is toegevoegd aan je favorieten.

Tusschen potten en pannen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lot zei niet veel. Zij was ellendig geschrokken.

Gelukkig begonnen zij nu te dalen en stonden na een kwartier op den beganen grond.

„Hè, nu kan ik pas genieten,” vond Lot en keek met verrukking naar de torenhooge, woeste rotsen, die scherp tegen de felblauwe Junilucht afstaken. „Ik ben toch al zoo benauwd voor afgronden, maar dit tochtje zal mij eeuwig heugen,” merkte zij op, toen ze beiden met nog knikkende knieën uit de auto stapten om het klooster te bewonderen.

En toen zij *s avonds van hun schitterenden tocht vertelden, kwamen zij toch ieder oogenblik weer op het angstige moment terug.

Eindelijk was de dag van vertrek daar en stond Lot, beladen met een bouquet rozen en een doos geconfijte vruchten in den trein voor het opengeschoven raam. Verschillende gevoelens bestormden haar. Zou zij hier ooit nog eens terugkomen? Zij was werkelijk van de streek gaan houden. Het was er zoo mooi en zij had er zooveel beleefd! Zij zou er best met Huug nog eens heen willen en dan veel bergtochten maken te voet. Later misschien. Dit keer maakte zij de reis alleen. „Ik ben nu al twintig, Vader,” had zij geschreven, „en kan me heel behoorlijk uitdrukken in het Fransch. Ik zal me heusch niet laten schaken.” En Vader had het goed gevonden dezen keer. Lot had de reis nu al eens gemaakt en hij zag zoo gauw ook geen ander middel.

„Ik dank U nog heel hartelijk voor alles, Madame. Ik zal dezen tijd niet licht vergeten.”