is toegevoegd aan je favorieten.

Speelmakkers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III

DE EEKHOORNTJES

geen van allen had zulk een welvoorziene provisiekast. Zij verheugden zich al op een winter vol weelde, overvloed en liefde, want de twee kleine schepseltjes hadden elkaar even lief als het oude paar in de boerderij. Geen van de andere eekhoorntjes wist iets van hun bergplaats onder de houtstapel, niemand had ooit ’t weggetje ontdekt, dat er heen leidde, ’t Was in ’t laatst van October en ze waren volkomen gerust. Ze hadden de zeldzame hoogte in het leven, van mensen zowel als van eekhoorntjes, bereikt, waarop geen sprake meer is van zorg voor stoffelijke behoeften.

Maar toen kwam de dag van hun val.

De vrouw van den boer vond, dat de houtstapel moest worden afgebroken en dat het hout moest worden klein gehakt en in de schuur opgeborgen voordat de winter inviel, en de boer ging gehoorzaam aan ’t werk. De stapel was niet zo heel groot, en hij was te zuinig en te werkzaam, om hulp te huren. Dag aan dag hakte hij er geduldig op los; maar het duurde een hele tijd, voordat de eekhoorntjes zich werkelijk ongerust begonnen te maken over hun schat. Ze waren langzamerhand gaan geloven dat die schat onaantastbaar was, even onaantastbaar als hun eigendomsrecht. Terwijl de oude man bezig was, bleven ze uit zijn buurt, sprongen rond in de bossen, hadden veel plezier, en genoten aldoor bij de gedachte aan hun overvloedige voorraad voor de winter.

Langzamerhand begonnen ze toch ongerust te worden. Ze bleven in de nabijheid en maakten verontwaardigde geluiden. Ze zaten op de stenen muur met hun grote staarten over hun rug gekromd en zó dichtbij, dat de vriendelijke oude man dacht, dat ze tam begonnen te worden.