is toegevoegd aan je favorieten.

Speelmakkers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV

HET HUTJE IN HET BOS

zicht naar een brutaal antwoord staat, dan zal ik tegen jou brullen: „De kluizenaar!”

„Best,” lachte Ida, „dat blijft dus af gesproken.”

En ze hielden zich trouw aan deze afspraak. Maar hun eigen goede wil om zoet te zijn, zowel om Ma plezier te doen als uit belangstelling in het lot van den kluizenaar, maakte dat ze elkaar niet dikwijls hoefden te waarschuwen; en de week verliep ook verder zonder dat ze knorren of straf kregen.

Ma pakte er hen eens extra voor, en ze zei dat ze een paar lieve beste schatten van haar waren en dat ze morgen, als ’t mooi weer was, naar ’t bos zouden gaan.

’t Leek wel of het zonnetje óók plezier had in de overwinning, die Ida en Gerard op zich zelf hadden behaald, want het scheen zo helder en vrolijk, alsof het aldoor lachen moest van louter pret.

Deze keer gingen ze te voet en de kinderen waren wel een beetje warm en moe, toen ze bij ’t beekje kwamen. Maar toch niet te warm en te moe om dadelijk naar de kluis te lopen

O jammer! O wee! Daar lag de hele kluis tegen de grond! Je kon niet eens meer zien wat muur was geweest en wat dak, zó hadden storm en regen daar huisgehouden! En het arme kluizenaartje, waar was dat gebleven? Ze zochten en zochten, en eindelijk vonden ze hem onder de puinhopen van zijn woning; maar ach, wat zag hij er uit. Zijn bruine pij was verveloos door de regen en besmeurd met modder. En het een of andere dier had even aan zijn vriendelijk gezicht geknaagd, maar dit toch niet lekker gevonden; want na hem beroofd te hebben van zijn neus en een paar