is toegevoegd aan je favorieten.

Speelmakkers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV

DE TWEELINGZUSJES

Ik liet het boven mijn hoofd omdraaien, en ineens glipte ’t mij uit de hand over ’t hek heen.

Ik ben toen wat anders gaan spelen en toen heb ik vergeten het touw te gaan oprapen, o, en nu is ’t mijn schuld dat je gevallen bent! Wat spijt me dat. Kon ik nu maar je eieren betalen. Hoeveel moest je er voor krijgen?”

„Eén gulden vijftig, jongejuffrouw, ’t zijn er dertig, voor een stuiver het stuk.”

„Eén gulden vijftig,” riep Lucie op een toon van teleurstelling, „zoveel geld heb ik niet.”

„Wacht even,” zei Fanny, die het gesprek natuurlijk gehoord had, „ik heb wel zoveel, en ik ga ’t halen.”

Mevrouw Doremans gaf aan haar twee meisjes iedere Zondag een paar stuivers, waar ze mee doen mochten wat ze wilden, maar — ieder kind moest vergoeden wat het bedierf. Ze had dit gedaan in de hoop dat Lucie haar eigen zaken en de dingen van haar Mama nu niet meer zo licht zou wegmaken, bederven of breken. Maar het middel had nog niet veel geholpen bij Lucie. Telkens moest ze iets vergoeden dat ze weggemaakt, bedorven of gebroken had, zodat die arme Lucie aldoor platzak was, terwijl Fanny bijna nooit ongelukjes had, en dus altijd geld in haar beursje. Ze kon dus vaak eens wat kopen voor iemand die jarig was, of helpen, zoals nu. Ze vond het heerlijk dat ze de gebroken eieren betalen kon, en o, wat was dat boerinnetje blij, dat ze nu geen straf zou krijgen!

Maar Lucie keek bedroefd. Wel was ze heel blij, dat ’t boerinnetje geholpen was, wel vond ze dat Fanny toch een echt lief meisje was, maar ’t was helemaal niet pleizierig om te denken dat zij door haar slordigheid alweer schuld had aan ’t ongeluk en dat ze, als Fanny niet dadelijk haar spaargeld gegeven had, het arme meisje ongetroost had moeten laten gaan.