is toegevoegd aan je favorieten.

Guus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar de zuster fluisterde tegen vader: „’t Zal haar goed doen.”

Vader had wel kunnen juichen. Dit, dit moést de genezing zijn.

Langzaamaan bedaarde moeder en streelde gelukkig de blonde krullen van haar jongen. Toen gingen haar ogen met de welbekende moederlijke blik nu, naar de anderen. Guus had zich goed gehouden, ook toen zij hem zo vreemd, zo ver aanzag, maar nu, hij had wel kunnen schreien van geluk.

Met èèn stap was hij bij haar.

„Moeder!”

„Jongen,” zei ze warm, „wat ben ik blij dat jullie hier bent allemaal.”

’t Was alsof ze teruggekeerd was van ’n verre reis, en allen stonden ze nu om haar heen. Zielsblij dwaalde baar blik van de een naar de ander. Vader was stil de deur uitgegaan. Dit onverwacht geluk was te veel voor zijn gespannen zenuwen. Gered, gered. Hij kon zich niet vergissen. O Wim!

Onbewust van de zegen die hij gebracht had leunde die kleine troostengel tegen moeder, en vertelde haar van zijn heerlijke reis.

En of ze gauw terug kwam. Hij had ’n vliegmasjien gebouwd achter in de tuin, maar de poes wou er niet in, en ze hadden ook kuikentjes, en die wou de poes wel hebben, maar die kreeg ze niet, en, o ja, hij was helemaal niet stout geweest, deze week. De week begon bij Wim elke dag opnieuw als ie opstond.

Moeder luisterde met moe maar glanzend gezicht, en toen de zuster de kinderen met zachte drang de kamer uitvoerde, was ze al rustig ingesluimerd, haar handen nog op Wims krullebol.