is toegevoegd aan je favorieten.

Guus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dagen lang was alles geweest als vroeger en begreep hij liet eens dat hij erover peinsde. Dan greep ’t hem weer ian, niet plotseling en hevig, maar onmerkbaar geleidelijk.

Werktuigelijk herhaalde hij nu, als in afweer: „Voor U,

/oor U.” j

Maar Hij was zo ver af. Al dat andere was nu zoveel duidelijker, en ’t stond als ’n muur tussen hen. Nee, als ’n wolk, die hem ’t uitzicht benam, die alles onwezenlijk naakte.

Koortsachtig waren z’n gedachten. Moe was hij, moe van al de spanning, öp van de plotselinge schokken, die zo kort na elkaar gekomen waren. Hij sloot de ogen.

Vader zag bezorgd naar ’t gezicht van zijn jongen, ’t Had hem wel hevig aangegrepen. Gelukkig, ’t Was voorbij, ’n Paar dagen rust zouden hem weer volkomen opknappen.

In Guus’ hoofd wentelden de gedachten voort, ’t Deed ’m bijna pijn. Z’n overspannen zenuwen lieten hem geen rust. Almaar door moest ie denken, dénken. Hij schaamde zich, maar hij kon ’t niet van zich afzetten, dat gevoel van angst, voor ’t offer en dat nu, terwijl hij zoveel reden tot dankbaarheid had. Terwijl hij moeder behouden mocht.

God, die in ’t hart ziet, zag daar z’n mooie jongenswil, die was Hem genoeg.

Maar ’s anderendaags ontwaakte hij met zware hoofdpijn en wat koorts.

„Blijven liggen,” besliste vader, en wat graag kroop Guus weer onder de dekens, en volgde vaders voorschrift: „uitslapen.”

’n Paar dagen hield de koorts aan, en bleef ie in ’n half dromende toestand. Vader liet, ongerust, den dokter komen.

„Ik ben juist te laat,” konstateerde deze, „morgen is ie weer ’t ventje. Hij heeft zich wat te veel ingespannen.”