is toegevoegd aan je favorieten.

Guus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen ze tenlaatste verschenen — gekraakt, zuchtte Ries — werden ze op ’n spottend goemórgen vergast van de twee vluggerds.

„Vogeltjes, die vroeg zingen zijn voor de poes,” trachtte Ries verachtelijk te doen, maar ’t ging ’m toch aan z’n hart dat Guus ’m voor geweest was.

„Waarom heb je me niet geroepen ?” zie ie op strijdlustige toon. Al z’n gewrichten deden hem pijn, en z’n stemming was verre van rooskleurig.

„Niet geroepen!” lachte Guus, „en je smeekte gewoon, om door te mogen maffen.”

„Da’s niet waar! Dat kan niet!” vloog Ries heftig op.

Guus raadde hem aan eerst z’n bol ’ns in ’t water te steken.

De schilder was onuitputtelijk in zijn lof over ’t buiten slapen, begreep absoluut niet, waar ze allemaal over klaagden.

Verstomd zagen ze hem aan. Of ie dan niet door z’n bed gezakt was ? Of ie geen armen en benen als planken had ? Of z’n hoofd niet bonsde als ’n Turkse trom ?

Maar niets van dat alles, oom was frisser dan ooit. Het kampeer-entoesiasme was nu helemaal aan zijn kant.

Na de overheerlijke boerenboterhammen en de gekookte eitjes raakten ze weer zo’n beetje met hun lot verzoend.

Nu pas werden ze zich bewust van ooms goede zorgen, ’n beetje beschaamd öök. Hadden ze zich niet voorgenomen hem alles uit de handen te nemen, zodat hij zich ongestoord aan zijn kunst kon wijden. Harry nam zich voor : dit zou geen tweede maal gebeuren.

Jan ging op in de beschrijving van de gebakken aardappeltjes waarop ie ze deze middag ging vergasten. Ze bleven Siberisch koud bij zijn gloeiende schildering. Alleen Ries informeerde of ie er ook ’n kopje thee bij schonk, dan bedankte hij alvast, zie je.