is toegevoegd aan je favorieten.

Guus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen zong plotseling de oude dorpsklok, in de nabijheid, over ’t land.

’n Gevoel waaraan ie tevergeefs uitdrukking zocht te geven, beving Guus. ’n Gevoel van onbegrensd geluk, dat z’n hart sneller kloppen deed.

Zelfs Jan werd er stil van.

Bij de boerderij werkten ze zich door de prikkeldraadafsluiting, en deponeerden de „verfwaren.”

De vijver was ’n juweel, bronzig groen ’t water in ’n omlijsting van goud. Maar oom stapte er tot htm verwondering voorbij. Langs ’n beekje ging ’t dorpwaarts, tussen de grazende koeien door, die hun logge koppen ophieven en de vroege voorbijgangers dromerig nastaarden. Diep paars viel de schaduw van ’t geboomte over ’t weiland. Nog steeds trilden de klokkeklanken, met ’t licht in èèn stille jubel.

Guus vroeg zich af waar ze heen gingen. Tot ze ineens op ’n landweg kwamen, en voor de dorpskerk stonden. Geen dorpskerk als hij zich gedroomd had, met ’n kleine torenspits en klimop-begroeide muren. Maar ’n mengsel van oud en nieuw. Twee versgemetselde zijbeuken flankeerden pralend het oude gebouw, en verdrukten ’t bijna met hun geweld van nieuwe baksteen.

Maar toen ze binnentraden was ie er helemaal mee verzoend. Oom steeg nog hoger in zijn achting, nee, in zijn liefde. Dit was zo echt fijngevoeld. Dit was zo echt: oom.

Jammer dat ie al ontbeten had. Maar daar kon oom niet aan denken, begrijpelijk.

Klompgekletter klapperde op de plavuizen. De jeugd kroop bij elkaar in een van de zijkapellen. Hier en daar keek ’n bedaagd moedertje nieuwsgierig op naar de vreemde bezoekers.