is toegevoegd aan je favorieten.

Guus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lij wel weg kunnen lopen, ver weg van Guus, van de anderen.

Nu was hij alleen maar diep ongelukkig.

Later zaten ze somber in ’t vuur te staren. Alleen Ries mtwoordde op Kareis vragen. Blij waren ze toen ze eindelijk ie tenten opzochten. Oom zou die nacht in de stad blijven, bij Guus, die naar ’t ziekenhuis vervoerd was.

Neef had zich veel voorgesteld van die eerste kampavond. Hoe anders was alles gelopen.

In de tent wentelde Harry zich heen en weer en staarde met stekende oogleden in de zwarte diepte van ’t struikgewas voor de ingang.

’t Noodlot vervolgde hem. Zo goed had hij gewild, zo eerlijk z’n best gedaan. Nu was alles verloren.

Opnieuw beginnen na dit ? dat kon ie niet, nooit.

Moedeloos gaf hij zich over aan zijn vertwijfelde gedachten.

Karei keek verbaasd op, toen ie in de opening van z’n tent ’n erg luchtig geklede jongen ontwaarde, die verlegen stilstond en fluisterde :

„Meneer.”

„Karei,” antwoordde neef, „neef Karei desnoods.”

„Karei,” weifelde Jan — hij was de late bezoeker — verder, „is ’t erg met Guus ? zou ie nog beter worden ?”

„Maar kerel!” Karei sprong op en trok hem naast zich op ooms verfkist.

Van den beginne af was ’t hem opgevallen, dat Harry en Jan zich heel anders gedroegen dan Ries. Dat het ongeval hen veel meer, en ook vreemder had aangegrepen dan deze. Nu gaf ’t ontdane gezicht van Jan en zijn haperende vraag hem zekerheid.

„Wees maar gerust,” zei ie hartelijk, terwijl ie den jongen in de ogen zag, „als alles goed gaat is ’t ’n kwestie van vier,