is toegevoegd aan je favorieten.

Guus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mokkend over zichzelf, over ’t noodlot dat dit zo beschikt had, sloot hij zich in zichzelf op.

De Zondag was ’n eindeloze marteling geweest voor hem. Niet voor den schilder, niet voor Guus.

Toch, hoeveel zou Guus gegeven hebben, om juist die Zondagmorgen de H. Mis bij te wonen in de oude kerk. Voor ’t eerst immers was oom Amoldi daar tegenwoordig geweest met hart en ziel. Niet als toeschouwer, niet als vreemdeling, maar als de eindelijk teruggekeerde zoon. De schok die ’t ongeluk hem gegeven had was smartelijk aangekomen, maar de vrede bleef. Wist ie niet, eindelijk, dat er Een is, die alles ten beste schikt.

Was ’t hem niet — ten koste van hoeveel strijd — eindelijk duidelijk geworden, dat er Een is, die weet wat voor den armen, kortzichtigen mens ’t beste is. Troostender nog bij dit nieuwe leed doorzonde die waarheid zijn ziel. Jaren en jaren was hij blind door ’t leven gegaan, en wèt ’t hem gekost had, om zo laat, zijn dwaling te bekennen, niemand die ’t weten zou.

Eèn, die ’t onbewust aanvoelde: Guus.

Toen de schilder na de H. Mis zijn hand greep en eenvoudig zei: „Guus, ik heb deze morgen gekommuniceerd, voor jou,” toen verdween alle verdriet, toen stamelde hij: „Oom.”

Hij wist z’n gebed verhoord, veel spoediger dan hij had durven dromen. Nader stond hij ’m nu dan ooit, die man, voor enige weken nog ’n wildvreemde.

Wat gaf ’t dat hij wekenlang stil zou moeten liggen. Wat gaf ’t dat voor ’t venster zon en zomer lokte. Alles was goed.

Innig-dankbaar zag hij op naar ’t Mariabeeld aan de wand.

Later kwamen ook de anderen. Ries zou in staat geweest