is toegevoegd aan je favorieten.

De radioclub

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vraag zijn, of ze in die tien dagen wel merken, dat we er zijn! Nee, dat zal zo’n vaart niet lopen en ik vind, dat we ’t best zonder vergunning kunnen doen.”

„Maar je hebt eigenlijk dus een vergunning nodig,” zei Gerard.

„Ja,” zei Karei, „maar, zoals ik zei, vind ik het niet noodzakelijk, om er een te vragen. D’r zit trouwens nog een heel gezanik aan vast ook, voor je hem te pakken hebt. Dus, wat zeggen jullie' er van?”

„Ik vind, dat Karei gelijk heeft,” zei Piet en bij nader inzien waren de anderen dat met hem eens.

„We zullen er heus geen last mee krijgen hoor,” zei Karei nog, „maak je maar niet ongerust. Verder nog wat te vragen?”

Daar ze allemaal zwegen, vervolgde hij: „Jullie hebben dus niks meer op je geweten? Mooi, ik wel, want ik had bijna nog iets vergeten, en wel, dat het Woensdagmiddag half twee vergadering is. We kunnen dan eventuële bezwaren bespreken, en, als die er niet zijn, alvast de zaak in gereedheid brengen voor het werk, dat vandaag over een week begint. Ik sluit nu de vergadering.”

Ze stonden op en vergaten zelfs het gewone lawaai te maken bij het weggaan. Zó verdiept waren ze in gedachten over alles, wat ze deze avond gehoord hadden, dat ze kalm en netjes de trap af gingen. Bij de deur steeg nog even een geschreeuw op, dat een afscheidsgroet aan Karei moest betekenen, toen waren ze buiten.

„Bonjour!” riep Karei, „tot Maandag op school, hè!”

Maandagmorgen.

„Van Dongen,” zei „De Neus” plotseling tegen