is toegevoegd aan je favorieten.

De radioclub

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Daar is het douanekantoor al, geloof ik,” zei Piet, wijzend op een gebouwtje aan de weg.

„Ja, dat is het,” antwoordde Karei. „We zijn er zó.”

Even later stapten ze af, toen een douane-beambte uit het huis kwam en z’n hand opstak. Weldra kwam er nog één.

„Iets aan te geven?” vroegen ze.

Het antwoord luidde ontkennend. Toen moesten ze hun bewijs van Nederlanderschap tonen. Dat werd in orde bevonden en de beambten onderzochten vlug even de bagage.

„Wat zijn dat voor toestellen?” vroegen ze, toen ze de radio-toestellen ontdekten.

„Radio,” antwoordde Karei.

»»Ja ja,” lachte de één, „dat zie ik. Maarre, die willen jullie toch niet invoeren?”

„O, wat dat betreft,” antwoordde Karei weer, „dat zijn we helemaal niet van plan. Ze zijn bestemd voor eigen gebruik. Kijkt u maar, hier hebben we de antennes.”

De douane-beambten keken elkaar eens aan.

„’t Is goed,” sprak de éne toen.

Vlug werd hun bagage verder onderzocht en bekeken. Haast waren ze klaar, toen één van de beambten bij ... Dirk terecht kwam.

Hij scheen het op dit heerschap voorzien te hebben en loerde achterdochtig in z’n fietstassen.

„Och ja,” zuchtte Dirk gelaten, „d’r kan nog meer bij.”

Met een arme-zondaarsgezicht zag hij het aan, dat al z’n bezittingen overhoop gehaald werden, terwijl de anderen kant en klaar waren.

Eindelijk was de nauwgezette ambtenaar gereed met z’n werk. Natuurlijk had hij niets gevonden.

„Hm,” bromde Dirk, „je hebt lekker toch niks gevonden, hè muggenzifter?”