is toegevoegd aan je favorieten.

De radioclub

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De man verstond er echter — gelukkig — niets van en rookte kalm z’n pijp. Ondertussen stond Dirk met een woedend gezicht alles weer in te pakken. De andere jongens hingen tegen hun fietsen en wisten niets beters te doen, dan Dirk opgewekt aan te moedigen.

„Nou Dirk,” begon Bertus, „je mag wel opschieten, als je tenminste vóór vannacht twaalf uur nog in Antwerpen wil zijn.”

„Klets niet,” gromde Dirk, „voor mijn part komen we er helemaal niet meer.”

„Kalm, Dirk, kalm,” vermaande Gerard vaderlijk, „Bertus heeft gelijk, hoor. En als jij er niet om geeft of we er helemaal niet meer komen, dan blijf je maar staan. Ik denk, dat wij alleen ook de weg wel vinden.”

Dirk zag wel in, dat hij er het best aan deed met ze maar te laten praten. Hij maakte zo vlug mogelijk voort en zei eindelijk opgelucht: „Ziezo, klaar is Kees!”

„Ikke?” deed Kees heel verwonderd.

Maar Dirk was al opgestapt en zei: „Ik dacht, dat jullie zo bang waren om te laat te komen. Schiet dan nu maar op.”

Weldra zette de club zich weer in beweging en gezellig pratend en zingend, reden ze geruime tijd flink door.

„Antwerpen in zicht!” kondigde Karei opeens aan.

Ze keken op en zagen in de verte de uitgestrekte stad voor zich liggen. Hoe dichterbij ze nu kwamen, hoe duidelijker alles werd. Ze konden ten slotte de hijskranen en lichters van de havens goed zien en ook de vele fabrieksschoorstenen, wier vette, zwarte rook lang in de windstille lucht bleef hangen.

„Nou, ’k ben blij, dat we zover zijn,” zei Kees.