is toegevoegd aan je favorieten.

De radioclub

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moest jullie halen, omdat ik alleen de weg wist.”

„Ja, dat is zo,” vonden ze.

„Maar ja, we konden toch ook moeilijk met z’n zessen tegelijk op zoek gaan,” voegde Bertus er aan toe.

„Nou, ’t zou een troep worden,” zei Kees. „Maar wat moeten wij nu gaan doen, Gerard?”

„Dat zal ik je vertellen,” antwoordde deze. „Wij hebben ook nog wat te doen. We gaan het huis, waar Karei en Dirk nu in zijn, bewaken. Dat doen we in twee groepen, Kees en Piet, en Bertus en ik. Zo heeft Karei het gezegd, tenminste. Vinden jullie dat goed?”

„Natuurlijk,” waren ze eenstemmig van oordeel.

„Mooi,” zei Gerard. „Dan gaan we nu maar. Straks zal ik wel zeggen, hoe we verder doen. Rijden jullie maar achter me aan.”

Hij sprong op de fiets en reed weg. De andere drie volgden. Ze reden zonder een woord te spreken, tot Gerard opeens z’n hand opstak en riep:

„Stop!”

Ze remden en stapten af.

„Kijk,” zei Gerard, „daar, bij die lantaarn is het huis, dat ik bedoel. Nu gaan Bertus en ik dadelijk aan die kant staan, daarginds, jullie blijven hier. Je houdt het huis goed in de gaten. Zodra er onraad is, komen jullie naar ons toe, dan moeten we Karei en Dirk waarschuwen. Let vooral goed op, want, zoals ik al gezegd heb, zullen er waarschijnlijk wel een paar van die kerels naar hier komen. Alles begrepen?”

Ze knikten.

„Goed zo,” zei Gerard. „Blijf een beetje aan deze kant van de straat, hier is ’t nogal donker. Dan gaan we, bonjour!”

Hij fietste weg met Bertus. Een eind verder gebood hij weer: „Stop!”