is toegevoegd aan je favorieten.

De woestijnpiloten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WOESTIJNPILOTEN

„Hebt gij nieuws, Pirello?” vroeg een der mannen, die met Guillardo aangesproken werd.

Bartolo Pirello, zo-als de pseudo-sjeik in werkelijkheid heette, antwoordde niet rechtstreeks. Hij wees naar buiten en sprak:

„Die vogels leggen in de laatste tijd een grote activiteit aan de dag. Ik was verleden week in Port Said en zag, dat er juist weer zes waren gearriveerd. Dat bevalt me niets. De Engelsen worden brutaal, signori.”

„Ze worden het niet, ze zijn het al,” merkte Jean Guillardo sarcastisch op.

II capitano knikte. „Je weet, dat sjerif Gioema nauw met hen samenwerkt.”

„Hoe staat het met de fondsen?” vroeg Carlo Razzo, de derde man, die tot nu toe weinig gezegd had.

Pirello maakte een beweging van ongeduld. „Hoezo? Heb je weer geld nodig?”

„Zonder geld kunnen we niets uitrichten, Pirello.”

„Dat weet ik. De liefde kan echter niet van één kant komen, signori. Men wil resultaten zien.”

Razzo keek zijn chef wantrouwend aan. „Van de liefde kan men niet leven, ook van vaderlandsliefde niet,” merkte hij schamper op.

Bartolo Pirello grinnikte. „Plicht komt eerst en dan de beloning. Twijfelen jullie aan mij? Zegt het dan ronduit en plaagt mij niet met je gebedel, als de eerste de beste neger, per Bacco!”

De beide mannen zagen elkander veelbetekenend aan. Ze hadden het schijnbaar verwacht, dit verloop van het gesprek, dat zo opgewekt en veelbelovend begonnen was en nu voor hen op een fiasco dreigde uit te lopen. Zo gemakkelijk zou „il capitano” er deze keer echter niet afkomen, dat begreep hij zelf nu ook wel. Er stond voor hem ook te veel op het spel. Razzo en Guillardo waren tot nu toe zijn beste