is toegevoegd aan je favorieten.

De woestijnpiloten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WOESTIJNPILOTEN

aangegroeid tot een lustig opflakkerend vreugdevuur. In de rossige gloed van de vlammen zag hij donkere gedaanten om het vuur zitten. Kamelen en ezels lagen daar in een halve cirkel omheen. Tussen de mannen en de dieren in bemerkte hij een rommelige hoop kisten, pakken, dekens en touwen en een enkele tent.

Geboeid door het fantastische schouwspel bleef Dug naar de rustende karavaan kijken. Wie waren deze mannen? En zouden ze hem vriendelijk ontvangen?

Aarzelend bleef hij staan. Zijn vreugde was wat geluwd bij de gedachte, dat de kamperende Arabieren wel eens konden behoren tot de fanatieke Senoessi’s of Zoeja’s, die als wantrouwend en haatdragend tegenover vreemdelingen bekend staan. Hij was hier niet in Egypte, waar de Engelsman een zekere achting geniet en de Muzelmannen veel van hun geloofshaat verloren hebben.

In de schilderachtige groep rondom het vuur kwam beweging. Enige mannen, hoog van gestalte en soepel in hun bewegingen, stonden op. Zij wierpen takken op het vuur, waarboven een grote pot hing. Dug herkende hen als Nubiërs. Deze vertegenwoordigers van het negerras konden in die omgeving moeilijk anders dan slaven zijn.

Nog altijd besluiteloos bleef Dug staan. Hij zag, dat een der andere mannen ook opgestaan was. Het was een Arabier. De wijde tulband op zijn donker hoofd en de witte jerd, die als een vaandel in de wind wapperde, wezen er op, dat het iemand van adel moest zijn.

Door de een of andere onnaspeurbare oorzaak scheen men in het kamp zijn aanwezigheid te merken. De kamelen staken snuivend hun koppen omhoog en de mannen bleven gespannen in de duister-

7*