is toegevoegd aan je favorieten.

De woestijnpiloten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WOESTIJNPILOTEN

Na de fatta, een ontbijt bestaande uit wortelen, brood en eieren, waarbij hete, zoete thee gedronken wordt, voelde Dug zich weer volkomen fit. Hij begon zich nu af te vragen, waar de karavaan heentrok en waar zij zich op het ogenblik bevonden. Zwijgend en in nadenken verzonken, staarde hij over de wijde, golvende vlakte. Zijn gedachten waren voortdurend bij de twee mannen in de Hawaisj-bergen. Wanneer hij er niet in slaagde, spoedig een bericht naar Siwa door te zenden, zou men van hun verblijfplaats en het lot, dat hun te wachten stond, totaal onwetend blijven.

Ook over zijn eigen lot maakte hij zich nog ongerust. Ondanks de gastvrijheid van Sidi Hoessein was hij niet op zijn gemak. Hij voelde zich als een vreemde eend in de bijt, die maar nauwelijks geduld wordt. De houding van de ekhwans en de Zoeja’s was verre van vriendschappelijk. Op hun bleke, fanatieke gezichten was duidelijk de achterdocht te lezen. Elke poging tot toenadering stuitte af op hun onwil. Zodra hij in zijn gebroken Arabisch belangstellend informeerde naar het doel van de reis, hulden de mannen zich in een geheimzinnig zwijgen.

Slechts Hassan, de Nubische slaaf, en enige andere zwarten toonden hem duidelijk een zekere sympathie. Maar de vrees voor de toom hunner meesters weerhield den negers, die sympathie in daden om te zetten. Op elke vraag van Douglas Magee antwoordde Hassan, die een grappig neger-engels sprak, met een voorzichtig: „U gaat het zien.”

U gaat het zien! Dug hield het niet langer uit. Begrepen deze mensen dan niet, wat er op het spel stond?

„Waar is de reis naar toe, Sidi Hoessein?” vroeg hij, toen de karavaan aanstalten maakte, weg te trekken.