is toegevoegd aan je favorieten.

De woestijnpiloten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WOESTIJNPILOTEN

„Naar Koefara,” was het antwoord.

Dug zweeg teleurgesteld. Na er even over nagedacht te hebben, vroeg hij:

„Wat is de meest nabij zijnde stad?”

„Jaghaboeb, dat wij eergisteren verlaten hebben.”

„Kunt u me daar niet heen laten brengen?”

Sidi Hoessein keek hem met een raadselachtig glimlachje aan en antwoordde:

„Ónmogelijk. Het zou een verlies van vier dagen betekenen. Wat wilt ge in Jaghaboeb doen?”

„Niets. Ik wil vandaar zo spoedig mogelijk naar Siwa!”

Weer kwam er een vreemd lachje op het scherpzinnige gelaat van den Moorsen edelman en hij zei:

„Dat kan ik niet toestaan. In geen geval mag ik U de vrijheid teruggeven, die gij gisteren nog had, luitenant Magee. U bent mijn gevangene.”

„Uw gevangene?” was de verbaasde uitroep.

„U bent zonder toestemming over het gebied gevlogen, waar mijn oom onbeperkt heer en meester is. Elke vreemdeling, die zich hier zonder zijn goedkeuring bevindt, moet zich aan onze bevelen onderwerpen.”

Sprakeloos van verbazing had de jonge officier hem aangehoord.

Meende Sidi Hoessein het, of was het slechts scherts? Misschien was het een misverstand. Hoe dan ook, Dug wilde zekerheid hebben en vroeg:

„Is het u ernst, of moet ik het als een grap beschouwen, Sidi Hoessein?”

„Een grap?” was de wedervraag, en aan de toon, waarop het gezegd werd, merkte Dug wel, hoe hij zich daarin vergiste. „Wij kennen op dit punt geen grappen, luitenant. Ik zou u aanraden, zich naar mijn aanwijzingen te schikken, in uw eigen belang, want anders kan ik voor uw leven niet instaan.”