is toegevoegd aan je favorieten.

De woestijnpiloten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WOESTIJNPILOTEN

„Is dat nu de hooggeroemde gastvrijheid van den Muzelman?” vroeg Dug zich in pijnlijke verwondering af, terwijl hij met behulp van Hassan op een kameel klom. De jonge, opgeruimde slaaf fluisterde hem toe:

„Luitenant moed niet verliezen. Niet vragen, niet veel praten. Hassan zal helpen.”

„Dank je, Hassan,” zei Dug getroffen. „Vertel me eens, hoe kom je hier bij deze Moren terecht?”

„Luitenant niet vragen, niet praten,” waarschuwde Hassan weer. „Sidi Hoessein kijkt. Hij heeft scherpe oren.”

De karavaan had zich intussen reeds in beweging gezet. Voorop reden twee zwaargewapende Zoeja’s. Daarachter volgde Sidi Hoessein, geflankeerd door twee ekhwans. Alle drie waren met buksen en zwaarden gewapend. Na deze voorhoede kwam de hoofdtroep, waarbij zich ook de kleine Arabier bevond. Dug zag echter, dat deze geen wapens droeg. En in de achterhoede reed hij zelf, geëscorteerd door Zoeja’s, die zwijgend voortreden op hun hoge kamelen, slechts af en toe een woord wisselend in hun onverstaanbare taal. De slaven moesten zich tevreden stellen met kleine, koppige ezels of te voet de karavaan maar volgen. Er waren vijf Nubiërs, die hardnekkig weigerden te rijden. Zij hadden, zo vertelde Hassan tijdens de rust in een onbewaakt ogenblik, de reis van de Egyptische grens af te voet meegemaakt en ze waren toch al zeven dagen onderweg.

„Hoe lang is het nog naar Koefara?” vroeg Dug.

„Poeh!” riep Hassan uit en hij zette een gezicht, of Koefara ergens bij de Zuidpool moest liggen, „nog veertien dagen.”

Dug schrok er van. Twee weken! Dan waren Lex en Long Joe verloren, tenzij men op Almaza niet stil gezeten had en een tweede vliegtuig op onder-