is toegevoegd aan je favorieten.

De woestijnpiloten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WOESTIJNPILOTEN

op touw zetten, nu al die pelgrims naar de stad stromen. Hissar Effendi en zijn mannen zullen de handen vol hebben.”

„Ik geloof, dat zekere elementen daar niet vreemd aan zijn,” merkte de Gramont op. „Die kerel met die groene tulband op, ziet er naar mijn mening als een echte raddraaier uit. Ais ik me niet vergis, is het een oude bekende van me.”

Ondanks de goed geslaagde vermomming had De Gramont in den man zijn aartsvijand Pirello herkend. Hij hield zich echter kalm, want hij begreep, dat hij zich zelf en zijn vrienden in grote moeilijkheden zou brengen als hij den kerel hier liet arresteren. Toch moest er onmiddellijk gehandeld worden. Het bezoek aan Nadir Maroedi en het geval Hamza was, hiermee vergeleken, van geen belang. De stoet van pelgrims, ook de blinde met zijn begeleiders, had zich weer in beweging gezet en trok af in de richting van het station Sennoeres. Voor zij in Cairo aankwamen, moest de politie verwittigd worden en haar maatregelen nemen.

Henri de Gramont nam een kloek besluit.

„We gaan terug,” zei hij. „Ik moet Hissar Effendi spreken voor ze in Cairo zijn.”

De anderen waren verbaasd over deze plotselinge verandering van het plan. Maar toen de graaf het hun uitlegde, begrepen zij het. Een uur later hield de auto stil voor het commissariaat van politie. Na een kort onderhoud met Hissar Effendi nam de Gramont afscheid van zijn vrienden. Hij ging met den commissaris en een tiental politieagenten naar het station om den valsen sjeik te arresteren, zodra deze met de pelgrims aankwam.

Dug en Lex brachten miss Fatimah naar huis en keerden toen naar hun eigen kwartier terug.

„Ik hoop, dat hij zich niet heeft vergist,” zei Lex,