is toegevoegd aan je favorieten.

De snoek van Ventje

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UIT DEN VIJVER IN EEN TEIL

In elk geval kreeg Ventje om vier uur 's middags een telefoontje, waarin hem door Kleyn werd verzocht ’s avonds om acht uur in de Veerstraat te komen.

„Ziedaar!” pochte het heertje, „al weer een bewijs, hoe ’n op-en-top zakenman ik ben. Als dat bad voor geen tientje de deur uitgaat, Duifje, heet i k geen Ventje meer.”

„Alles goed en wel," antwoordde de inhalige mevrouw van Wijck; „maar het was toch niet noodig geweest Jaap Kleyn een gulden voor zijn moeite te beloven. I k voor mij was vast niet hooger dan twee kwartjes gegaan.”

„Nou ja...” zuchtte Ventje, „je moet een ander ook wat gunnen!"

Opgewekt en precies op tijd belde hij aan Jaaps woning aan.

„M’n man is achter, loopt u maar even om," deelde juffrouw Kleyn hem mede.

Ventje knikte, liep de steeg naast het huisje door en wilde juist de deur die toegang gaf tot het plaatsje openen, toen een opgewonden stem hem verrast deed opkijken. Met de hand op de klink bleef hij ademloos luisteren.

„Het is een krankzinnige prijs voor zoo’n juweel van een snoek!” riep Jaap en zijn stem klonk boos. „U moet niet denken, dat ik geen verstand van dit soort visch heb. U als kennér weet heel goed, dat vijf-en-zeventig gulden voor dit dier belachelijk weinig is. Maar best, meneer de Vos tot Wezenwijcke, we zullen er geen woorden meer over vuil maken. Ik verkoop u hem dus niet!”

Er was even een pauze, waarin Ventje zich ge-