is toegevoegd aan je favorieten.

De snoek van Ventje

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE SNOEK VAN VENTJE

„Juist, k o o p e n,' herhaalde Kleyn en deed een voorzichtigen stap op het kleedje in de vestibule.

«Tien gulden van Bot," dacht hij. „Als ik Van Wijck een rijksdaalder toegeef, verdien ik er nóg drie riksen aan..."

„Duifje? schalde Ventje's stem. „Kom 's gauw hier."

„J ij ? stiet mevrouw uit en ze werd wit om haar neus. „Smijt hem op straat, Ventje! Ben je dan heelemaal dat zaakje van den zoogenaamden meneer de Vos tot Wezenwijcke vergeten?"

„Hij komt Adolf koopen!" sprak Ventje nadrukkelijk.

„Hm ... dat zal wel..." hoonde Duifje verachtelijk. „Met valsch geld zeker."

„Met echt geld," verbeterde Ventje.

„Zoo is ’t," knikte Jaap.

„Wat denk je er van?" wendde Ventje zich tot zijn ega.

„Wat ik er van denk? Ik hoef er niets van te denken," antwoordde mevrouw scherp. „We hebben Adolf toch al aan de vereeniging „Jong Leven" verkocht?"

Ventje begreep welke richting z'n slimme echtgenoote wilde inslaan.

„Ja, dat is waar,” gaf hij toe. „Maar toch... zie

• «f

je,, *

„Wat heeft die vereeniging dan geboden?" vroeg Jaap teleurgesteld.

„Veertig gulden," zei mevrouw onmiddellijk.

„En Jantje-contantje,” voegde Ventje er inhalig aan toe.

„Dan kan ik wel gaan," oordeelde Jaap. „Zooveel kan ik niet missen."