is toegevoegd aan je favorieten.

Teus ziet het spoor

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die verder spuwt dan jouw vader en onze meester.”

„Nou, wie dan?”

„De koningin.”

Verbluft keken de beide broertjes het vriendje aan.

„De koningin? Jö, ga nou.”

„Ja, de koningin. Die kan toch zeker alles het beste. Daar is ze toch ommers koningin voor. O zo.”

„Gossie, kijk me die boot 's opschieten,” voorkwam Herm een dreigenden oorlog. „Wedden, dat ik hem raak.”

„Wedden van niet,” zei het andere jongetje en met een fikse straal, ontlastte hij zijn speekselklieren in de richting van de wherry, precies op Greets hand.

„Jasses,” zei deze jongedame verontwaardigd. „Kijk me dat tuig nou toch eens. Stuur naar den kant, Wim,” en vertoornd spoelde ze haar hand af. „Ik zal ze toch krijgen dat schoffiesgedoe.”

„Jó, kijk die meid eens lollig nijdig worden.”

„Wim stuur naar den kant,” brulde Greet. „Ik ben gewoon ziedend.”

„Geef hem een zetje en stuur naar den kant,” zong Teuna.

„O wee,” zei Herm. „Dat is gemeen. Ik zei: wedden, dat ik hem raak en jij spuwt. Is het nou niet waar, Kees?”

„Spuw jij dan nog eens,” zei Kees laconiek.

„Wim, stuur nou naar den kant en jij Teus, zing niet zo onwijs. Zien jullie nou toch niet, dat ik woedend ben.”

„Jawel,” zei Wim. „Maar daar moet je nooit aan toegeven.”

Intussen had Herm het advies van Kees opgevolgd en weer, alsof het zo zijn moest, werd Greet geraakt.

In de tweede wherry, die inmiddels langszij gekomen was, barstte een hoongelach los.