is toegevoegd aan je favorieten.

Het graf van den Amonpriester

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de krantenverkooper. Bij hem ligt misschien de sleutel van een heele serie raadsels en als hij geluk heeft dan zal vanavond bij Nina Bing ....

Plotseling blijft hij midden op den rijweg staan, zoodat een taxi hem rakelings langs de voeten rijdt. De chauffeur snauwt hem een paar scheldwoorden toe, maar Aragon let er nauwelijks op. Hij keert op zijn schreden terug, loopt naar een telefooncel en belt den chef van den geheimen dienst op.

„Hallo! .... Morgen mijnheer Lavaroux. Ik ben juist terug uit Cherbourg en maak mij zorgen over Nina Bing.... Neen, ze maakt het goed en ziet er nog altijd even lief uit. Alleen zou het kunnen gebeuren, dat zij tracht zich met haar vrienden aan de algemeene belangstelling te onttrekken. En omdat ik zelf op het moment geen gelegenheid heb haar in het oog te houden, wilde ik u vragen, dat tot vanavond acht uur aan Lestrade op te dragen .... Ja, berichten eventueel naar het inlichtingenbureau. Ik bel wel op. — Dag chef, tot ziens.”

Gerustgesteld verlaat Aragon de telefooncel. Hij wil de kans niet loopen, dat het drietal zijn goede raad opvolgt zonder het interview. Een rechercheur moet nu eenmaal aan zulke kleinigheden denken.

Hij wandelt dan op zijn gemak naar de Rue St. Martin no. 29, maar is volstrekt niet verbaasd, dat hij geen spoor van den braven Dumoulin ontdekken kan. Zeer waarschijnlijk is de krantenverkooper met zijn couranten op stap en zal er niet anders opzitten dan een beetje geduld te hebben.

Maar als hij dan de straat door loopt, wordt er in een café, juist tegenover no. 29 tegen de ruiten getikt. Het is Dumoulin, die hem binnen wenkt.

De brigadier ziet een beetje wit om zijn neus en zijn vervaarlijke knevel hangt bedenkelijk omlaag.

„Wat zie je er uit, Dumoulin!”

„Het spijt me, mijnheer Aragon, maar als ik een nacht niet slaap dan is me dat altijd aan te zien.”

„Had je je dan niet kunnen laten aflossen ?”

Dumoulin schudt zeer beslist het hoofd.

„Mijnheer had mij de opdracht gegeven en ik wilde er geen anderen bij halen.”