is toegevoegd aan je favorieten.

Het graf van den Amonpriester

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XI.

DOODENDANS.

In Alexandrië moest Svendsen twee dagen op bootgelegenheid wachten. Hij logeerde in een klein, armoedig hotel in het havenkwartier, waar voornamelijk zeelieden hun tenten opsloegen. Het was er roezig en druk. Den eersten avond ontstond er een heftige ruzie tusschen twee ongure, zwarte kerels, waarschijnlijk Nubiërs, die elkander met hun messen bedreigden.

Terwijl de andere gasten zich angstig tegen de wanden drukten of dekking zochten, stonden de twee groote kerels midden in het vertrek, gereed om elkander met hun vlijmscherpe messen te lijf te gaan.

Svendsen, die in een hoek zat, dacht er nog een oogenblik over tusschenbeide te komen, maar hij besefte, dat hij tegenover deze reusachtige kerels niets zou kunnen uitrichten. Dus keek hij gespannen naar de zonderlinge vechtmanceuvres van het tweetal. Zij schuifelden eerst heen en weer, terwijl zij op een afstand van enkele meters van elkander verwijderd bleven. Dreigend hielden zij de messen gereed om toe te stooten, maar geen van beiden waagde een uitval.

Op een oogenblik begon de grootste van hen, een oersterke kerel met spieren als staalkabels onder zijn zwarte huid, te retireeren in de richting van de deur. Deze beweging verbaasde Svendsen, want als hij had moeten wedden, dan zou hij heel zeker gewed hebben, dat juist de grootste den eersten aanval zou doen. Maar hij deed het niet. Voetje voor voetje met uiterst kleine schuifelpasjes ging de kerel achteruit terwijl hij zijn donkere, felle oogen strak op zijn tegenstander gericht hield. Svendsen kon niet zien wat er voor schrikwekkends in het uiterlijk van dien ander was, dat