is toegevoegd aan je favorieten.

Het graf van den Amonpriester

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar het is immers nog niet te laat/’ flapt hij er dan uit.

Pezzana kijkt hem strak aan.

„Waarvoor niet te laat?”

„Voor alles,” stamelt Giovanni.

„Waarom is het noodig iedereen dwars te zitten en gemeene dingen te doen ?”

„Het zit in mijn bloed,” mompelt Pezzana.

„Maar daar kan een mensch toch tegen vechten.”

„Ik niet.... Nu niet meer ten minste.”

Dan is het weer even stil, waarna Pezzana hem een gewetensvraag stelt.

„Zou jij mij kunnen vergeven, dat ik indertijd je vader doodde.”

Giovanni krijgt het even te kwaad en zou wel „neen” willen Zeggen, maar dan moet hij opeens denken aan het dagboek van Pezzana, dat hij heeft gelezen; hij herinnert zich weer alle omstandigheden tijdens dien afschuwelijken oorlog, die van Pezzana een beest en een moordenaar heeft gemaakt. En dan zegt hij uit den grond van zijn hart:

„Ja.”

„Meen je dat?”

„Ja, ik geloof, dat ik het werkelijk kan vergeven.”

Weer is het stil. Pezzana denkt na. Hij schijnt het niet te kunnen begrijpen, want hij heeft nog nooit iets kunnen vergeven, zelfs geen kleine onaangenaamheden. Zijn heele leven is vervuld geweest van bitteren wrok. Niemand heeft hij ontzien, niemand heeft ooit een vriendelijkheid van hem ondervonden .... behalve Ingeborg Svendsen.

Opeens vraagt hij aan Giovanni:

„Waar is Ingeborg?”

„Zij is op weg naar Luxor.”

„En die Hollander?”

„Is bij haar, denk ik.”

Pezzana's gelaatsuitdrukking wordt dan opeens hard en schelf, maar hij weet zich te beheerschen en zwijgt.

Giovanni brengt wijselijk het gesprek terug op Ingeborg ïn vertelt, dat zij zich erg bezorgd over haar vader heeft gemaakt.