is toegevoegd aan je favorieten.

Avontuur bij honk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maal niet gek, te veronderstellen dat de inbreker hier thuis hoort. Misschien is de buit wel hier in het gebouw verborgen. Ik geloof, dat ze nu aan het zoeken zijn.”

Plotseling werd Pendel zeer bleek. Zijn ogen sloten zich en hij zette zich neer op zijn stoel, maar het leek eerder of hij viel. Een dof gekreun kwam uit zijn keel. Jaap schrok en keek hem bevreemd aan.

„Dat is wel erg onplezierig ...”

Verder kwam de jonge man niet. Met een doffe slag was Pendels hoofd op het tafeltje vóór hem neergekomen. Hier was, dat zag Jaap wel, direct hulp nodig.

Hij stond op en keek hulpeloos rond. In de loge was niemand behalve Pendel en hij zelf. Ook de hal was op dit ogenblik geheel leeg. Jaap hield een ogenblik de deuren in het oog, die er op uit kv/amen, in de hoop, dat één er van zou opengaan en iemand de hal zou binnenkomen. Maar dat gebeurde niet.

Toen dacht hij aan de twee agenten, die vóór de deur van het gebouw op wacht stonden. Hij ging vlug de portiersloge uit, naar buiten.

„Er is iemand niet goed geworden,” zei hij tot een van de mannen, „en ik zie niemand en ik ben hier vreemd.”

„Ik zal wel eens even gaan kijken,” zei een van de agenten. „Blijf jij maar hier,” sprak hij in de richting van zijn collega.