is toegevoegd aan je favorieten.

De familie Caspers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zout erbij en dan flink roeren met deze houten lepel... nu de bloem erbij en nu al roerend de klontjes fijn wrijven, ’t moet er uit zien als room zo glad.”

„Kijk es, Suus, is ’t zo goed?” vroeg Phien, na een poosje ijverig te zijn bezig geweest.

„Knap hoor, alleen hier, zie, nog ’n paar klontjes,” wees Suze en wreef ze meteen fijn. Nu de

melk erin heel langzaam Flink, dat heb je

netjes zonder morsen gedaan. Doe nou maar ’n stukje boter in de koekepan.”

„Hoe groot? zó?” en Phientje hield een mes met een kluit boter er aan in de hoogte.

„O nee, kind, de hèlft, nog niet ééns de helft, je doet of je biefstuk moest bakken.” Suze deed er ’n stukje af.

Toen Phien de boter in de hete pan liet glijden, begon ’t vreselijk te sissen. „O Suus, ze brandt, geloof ik,” schreeuwde het jeugdige bakstertje angstig.

„Nee, nee, vooruit nou maar... vlug ’n lepeltje beslag erin laten lopen, juist, heel weinig... flensjes moeten heel dun zijn, dan zijn ze ’t lekkerst. Toe, meisje, schud es ’n beetje met de pan, dan laat het beslag los. Mooi, nu keren. Ik zal je de eerste es voordoen,” en Suze schoof voorzichtig het pannekoekje op ’n deksel en keerde het toen weer om in de pan.

„O wat leuk, Suus!”

„Ja hè? Nu moet je de eerste zelf maar es proeven, om te weten of het lekker is. Pas op, hoor, ’t is vreselijk heet.”

Phientje proefde ’n randje, dat los zat en kneep van verrukking de ogen toe: „Héééérlijk!” vond ze.

Suze lachte. „Dan maar vlug verder bakken.”