is toegevoegd aan je favorieten.

De familie Caspers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK

IV.

Op ’n avond na het eten wenkte Rolf Dick geheimzinnig om mee naar hun kamer te gaan.

„Wat is er?” vroeg Dick bovengekomen, nieuwsgierig.

„Hier, wil je eens opsteken?” En Rolf hield hem een doosje voor, waarin twee echte sigaretten zaten.

„Ben je goed, hoe kom je daaraan?” informeerde Dick.

„Natuurlijk gekocht, hè, wat anders? Hier heb je een vlammetje.”

Aarzelend had Dick een sigaret genomen en vatte nu de lucifer die Rolf hem voorhield.

Rolf pufte al grote rookwolken uit vóór Dick nog goed en wel begonnen was.

„’n Goed sigaretje, hè?” vroeg Rolf mannelijk.

Dick wist niet, of ’t een goede of ’n slechte was, hij vond ’t lang niet lekker en had eigenlijk veel liever een dikke chocolade sigaar gehad, maar ’t was wel leuk. „Zouden ze ’t beneden niet ruiken,” vroeg hij.

„Welnee, we zullen de ramen wijd openzetten en dan moeten we naar buiten roken.”

Ze waren nog maar een heel klein poosje bezig, toen Phientje binnenkwam: „Nee, maar, zitten jelui te roken! dat mag niet van Vader.”

„Zeg, bemoei jij je met je eigen bemoeisels,” klonk ’t uit Rolfs mond, „we zijn geen kleine meis-