is toegevoegd aan je favorieten.

De familie Caspers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK

VT

Op de bepaalde dag, kwam Gerrit. De kinderen hadden al lang voor de ramen naar hem uitgekeken. Eindelijk zagen ze een wagen uit de Reinkenstraat komen, beladen met planken.

„Daar zal je ’m hebben,” riep Rolf. En ia, Gerrit liep erachter. Hij hoefde niet te bellen, Dick was al aan de deur, gevolgd door de drie anderen. „Dag Gerrit,” groette hij, „lekker, dat je zo vroeg komt.”

»Dag jongeheren, dag jongejuffrouwen,” sprak Gerrit.

„Zeg, ik heet Dick, hoor — en dit is Phien en Rolf en Inga,” en ieder die hij aanwees, kreeg een prik in de borst, dat hij of zij haast achterover tuimelde.

Rolf vond het maar zó-zó, om door een timmerman bij de naam genoemd te worden, hij vond dat „jongeheer” veel deftiger.

„Kan ik achter terecht, meisje?” vroeg Gerrit, toen hij Suze in de keukendeur zag staan.

„Ja, wacht U even, dan neem ik de loper op in de gang,” en, na de daad bij het woord gevoegd te hebben: „zo, komt er nu maar in.”

Eerst droeg Gerrit zijn kist met gereedschap naar binnen, „want,” (tot Dick) „daar zouden ze uit kunnen gappen, weet je!” Dan trok Gerrit zijn pover jasje uit, dat vroeger waarschijnlijk zwart was geweest, doch thans een onbestemde kleur had aangenomen: „Waar zalle me dat nou es hangen,”