is toegevoegd aan je favorieten.

De familie Caspers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

99

„En nu, op naar Mama, een twee, een twee

„Wat zal Jackie Coogan raar opkijken,” dacht Dick.

„Ik zal ’m even vasthouden, als we thuis zijn,” zei Papa.

„0, maar Jack doet hem niks, Pa,” stelde Rolf gerust, „Jack is in ’t geheel niet kwaad tegen katten.”

„Nee, dat is wel zo, maar als Jack ons thuis hoort komen, komt hij als een razende op ons afhollen en dan schrikt dat kleine beestje zo.”

„Houd hem nu maar stevig vast, Phien,” waarschuwde Dick, toen de Heer Caspers de sleutel in het slot van de deur stak waarachter Jack reeds stond te blaffen. Papa ging naar binnen en greep Jack bij zijn halsband: „Dag Jack, dag brave jon-

Pen, ja, ja, koest, je bent een beste hond, hoor! Zo, hien kom er maar in, ik heb hem. O, daar is Mama. Moeder we hebben een zwerveling meegebracht.”

„Is ’t alweer zo laat, wat is het deze keer, ’n hond, *n kat of ’n vogel?” vroeg Mevrouw, die reeds het klappen van de zweep kende.

„Is Inga niet in de buurt,” en Meneer Caspers keek zoekend rond.

„Nee, die is bij Suus. Wat is er voor geheimzinnigs?”

„Hier zijn twee ferme jongens, die om het leven van een kleine poes gevochten hebben,” sprak Vader, en duwde Rolf en Dick naar voren. „Het ging er Spaans toe, dat verzeker ik ie. Of ze er zonder kleerscheuren zijn afgekomen (in letterlijke en in figuurlijke zin) weet ik niet.”

„We hebben die gemene patsers hun vet gegeven, hè Bigmans?” zei Rolf strijdlustig. „Nou, ze kunnen er in het nieuwe jaar aan terugdenken, maar — ik