is toegevoegd aan je favorieten.

De vallei van de mist

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog niet. Hij is echter weer op school en de droge, frisse, late najaarsdagen doen hem goed.

’t Is nu half zes.

In ’t westen bloost de oranjerode avondlucht tussen de bladerloze takken van eiken en beuken.

Henk is op weg naar huis, vergezeld van twee makkers, die ook in Eikendaal wonen. Elke fiets torst ’n zwaar pak boeken, dat echter de harten van de jongens niet verzwaart, want ze voeren ’n vrolijk gesprek. Dank je de drommel, als je de hele dag opgesloten bent geweest, doorgloeit je ’n zalig gevoel van vrijheid, zodra je buiten komt. Per slot van rekening is vrijheid, naast je gezondheid, ’t kostbaarste bezit.

De rijweg, die van Breehaven door Eikendaal loopt, is één van die prachtige, harde, gelijke wegen, waaraan ons diluvium zo rijk is. Onze jongens stuiven er nu niet overheen, maar rijden op hun dooie gemak en één van hen voert ’t hoogste woord.

Waar ze ’t zo druk over hebben?

Waarschijnlijk moet één van hun leraren ’n veer laten, want ’n uitbundig gelaat schoot tussen de bomen door, gevolgd door de vraag:

„Hoe liep ’t af?”

„Hij moest zelf ook lachen I”

Bij ’t tuinhek van z’n huis neemt Henk afscheid van z’n makkers en wipt van z’n fiets af. ’t Grind knarst onder zijn voeten en de buitendeur gaat open. In de opening verschijnt Henks moeder. Ze heeft zeker gehoord, dat haar zoon aankwam.

Henk wuift met de hand z’n moeder toe en bergt z’n fiets in de loods. Met de boekentas onder de arm keert hij terug. Hij weet, dat z’n moeder er op gesteld is van haar jongen ’n kus te ontvangen en daarom drukt hij vluchtig z’n lippen op haar wang, hoewel hij helemaal niet van zoenen houdt. — Wacht maar, mannetje. Als je ’t ouwetje niet meer hebt, dan zou je aardse schatten willen geven om nog eens een keer ’n kus op die warme moederlippen te kunnen drukken. —

„Moe?” vraagt Mevrouw Sonneveldt lief en bezorgd.